2wicked | Mijn verhaal
19983
page-template-default,page,page-id-19983,page-parent,page-child,parent-pageid-15766,hazel-core-1.0.4,ajax_fade,page_not_loaded,,select-theme-ver-4.3,wpb-js-composer js-comp-ver-6.0.5,vc_responsive

 

De stuud, de tijgerin en de pionier

[Mariken Althuizen, oktober 2011]

 

“Ja maar, juf … als de moleculen in lucht allemaal los van elkaar zitten, wat zit er dan tussen de moleculen?” VWO 3, najaar 1996, in mijn eerste ‘echte’ baan als scheikundedocente. In deze vraag herkende ik wie ik was, waar ik voor ging, en wat ik moest doen. Ik was precies op de goede plek, maar helemaal op het verkeerde moment. Krap een jaar later was ik juf-af en het zou tot nu duren voordat ik het in mijn hoofd zou halen ooit weer juf te willen worden. Ik had toen, in 1996, nog helemaal niet door dat ik hoogbegaafd was, net als de jongen die deze vraag stelde. Ik kon altijd makkelijk leren, ik was “de stuud van de klas”, dat wel.

 

Hoogbegaafdheid. Veel mensen, ook leerkrachten, weten er weinig van. Vaak wordt aangenomen dat hoogbegaafde kinderen “het toch maar gemakkelijk hebben” op school. Ze snappen alles toch snel? Dan wordt er voorbijgegaan aan de compleet andere manier van denken van deze kinderen, de andere wijze waarop ze de leerstof verwerken. Veel kinderen gaan onderpresteren. De verveling, het gevoel niet bij de rest van de groep te passen, het pesten… Genoeg redenen voor een hoogbegaafd kind om een hekel te krijgen aan school, terwijl het toch eigenlijk niets liever wil dan leren! Het is dan niet moeilijk te begrijpen waarom hoogbegaafden het vaak niet redden op school of op de universiteit, als ze daar al terecht komen. Aan de intellectuele capaciteiten ligt het in ieder geval niet, dus we moeten ons echt eens achter de oren krabben. Waar gaat het mis?
Zelf had ik het bijna ook niet gered om af te studeren. Als ik niet zo’n braaf meisje was geweest, en als ik niet die fantastische liefdevolle mensen om me heen had gehad die me steunden, had ik er vast ook de brui aan gegeven. Mijn eigen schoolcarrière: 1976-1990. Veertien jaar lang ga ik met meer of minder tegenzin naar school; zonde van mijn tijd. Naar de universiteit dan, scheikundige technologie studeren. De vrijheid en zelfstandigheid die ik daar ervaar maken het al veel beter, maar nog steeds is het weinig uitdagend. Als ik in het vierde studiejaar mijn bedrijfsstage volg, breekt de paniek uit. Oh nee, wordt dit de rest van mijn leven? Mijn lijf functioneert niet meer goed en mijn hersenen draaien al piekerend overuren. Help! Dit wil ik niet! Ik huil hele dagen, slaap slecht en weet absoluut niet wat ik aan moet met de rest van mijn leven. ‘Dit in ieder geval niet!’, schreeuwt mijn lijf. Vier maanden heb ik nodig om na te denken en te beslissen wat ik wil gaan doen. Vier maanden en een enthousiast betoog van de studieadviseur geven me weer genoeg rust en energie om door te gaan.
Nog een jaar afstuderen – het is toch zonde om je studie na 4 jaar af te kappen, nietwaar – en met een ingenieurstitel op zak begin ik aan de lerarenopleiding. Ik, die een hekel had aan school, ga de lerarenopleiding in. Aanvankelijk doe ik dat helemaal niet met het idee om lerares te worden. Ik hoop eigenlijk door de combinatie van scheikunde en “iets communicatiefs” in de wetenschapsvoorlichting terecht te komen. Stukjes schrijven in een populair-wetenschappelijk tijdschrift lijkt me wel wat. De vertaalslag maken van wetenschap naar een breder publiek vind ik belangrijk. En dan is mijn technisch-wetenschappelijke opleiding toch ook niet helemaal voor niets geweest.
Maar lesgeven blijkt echt heel leuk te zijn! En ik blijk er talent voor te hebben! De kinderen zijn geweldig. Hoezo 30-koppig monster? Ik vind het heerlijk om met ze te werken! Maar helaas is er meer dan alleen het lesgeven en de kinderen. De schooldirectie is vooral bezig met de op handen zijnde fusie. Docenten komen op de tweede plaats en de leerlingen bungelen, zo lijkt het, onder aan de prioriteitenlijst. De meeste docenten draaien hun standaardlesjes, willen het liefst de kinderen achter het behang plakken en zo snel mogelijk in de zomervakantie zes weken naar Frankrijk. Ben ik dan zo naïef? Ik had het idee dat docenten met hart en ziel voor dit vak kozen. Dat ze het beste willen voor de kinderen, met aandacht voor elk individu. Dat ze willen aanhaken bij de actualiteit door leuke onderwijsactiviteiten te ontwikkelen. Voor een aantal gaat dat inderdaad op. Ik heb ze gezien, ze bestaan echt: de enthousiaste, betrokken docenten. Maar hoe anders bleek het te zijn voor de meesten. “Mag niet, Mariken. Kan niet, Mariken. Zo doen we dat hier niet, Mariken. Terug in je hok, in ons hok!” En zo ben ik na één jaar juffrouw spelen wederom zwaar teleurgesteld in ons Nederlandse onderwijs. En wil ik het zelf overleven, dan kan ik niet anders dan er mee stoppen.
Ik kom terecht op de Technische Universiteit Eindhoven, als voorlichter. Om dat zo goed mogelijk te kunnen doen, ga ik een communicatie-opleiding volgen. Ik krijg twee kinderen. Ik word ouder. Volwassener ook? Van lieverlee ga ik me weer bezig houden met het onderwijs: coördineren, ontwikkelen. Ondertussen zie ik mijn oudste zoon op school steeds ongelukkiger worden. Toen hij als kleutertje naar school ging kon hij lezen, schrijven en een beetje rekenen. Eind groep 4 kan hij niets meer, wil hij niets meer en is het één hoopje ellende. En hoe erg ik mijn eigen schooltijd ook vond, dat haalt het niet bij wat je aan verdriet, woede en wanhoop voelt als je het bij je kind ziet gebeuren. Eerst breekt je moederhart, dan komt de tijgerin in je naar boven. Je gaat vechten voor je kind, hoewel ik in het begin helemaal niet weet waarvoor en tegen wie. Ik vind op school geen gehoor als ik zeg dat mijn zoon blijkbaar iets anders nodig heeft dan wat ze bieden. Ik weet dan zelf nog niet hoeveel gelijk ik daarin heb.
Mijn zoon, blijkt later, is hoogbegaafd. En al lezend over hoogbegaafheid herken ik zoveel uit mijn eigen jeugd. Ben ik dan ook…? Ik kan je vertellen dat het pijn deed. Het lag niet aan mij, of eigenlijk dus wel, maar ik kon er niets aan doen. En mijn zoon kan er ook niets aan doen, hij is gewoon zo en hij heeft iets anders nodig dan wat het huidige schoolsysteem biedt. Iets wat beter past bij zijn manier van denken en bij zijn leerhonger. En z’n juf is echt heel welwillend, maar het ontbreekt haar aan de kennis, de tijd en de middelen om een kind dat te ver afwijkt van het gemiddelde in de klas goed op te vangen. Na jaren zoeken, vragen en uitleggen zijn we aan het eindpunt van een dood spoor. Wat nu, in vredesnaam?!
Het is inmiddels 2009 en dat is nu eens wél precies het juiste moment. Eén visionair, één man met een goed hart en veel doorzettingsvermogen, is gestart met de Leonardoscholen, speciale klassen voor hoogbegaafde kinderen. En er start zo’n school vlakbij mijn woonplaats. Wat een kans! Wat een uitkomst voor mijn zoon! Jan Hendrickx heet mijn held.
Er staat een filmpje op YouTube: “how to start a movement”. Alles wat je nodig hebt om iets groots in gang te zetten is één lefgozer met een idee en één lefgozer die volgt. De rest volgt daarna als vanzelf. Jan Hendrickx is die lefgozer. Mij mag je zien als die eerste volgeling, net als de vele andere moeders en vaders van hoogbegaafde kinderen.
Ze starten op de Leonardoschool Deurne met niets meer, of minder (!), dan een open minded school en enthousiaste docenten. Er is op dat moment eigenlijk nog niets concreets, nog geen doordacht curriculum, er zijn alleen concepten als topdown en deep level.  Maar zelfs dit ‘niets’ (ik schrijf het expres tussen aanhalingstekens, want het mag dan geen curriculum zijn, het is allesbehalve niets!), blijkt al beter voor mijn zoon en zijn klasgenootjes dan de systemen en methodieken op de oude school. Het heeft alles te maken met ruimte krijgen, met mogen zijn wie je bent. Om iets te laten ontstaan, is ruimte nodig. Om een kind zich optimaal te laten ontwikkelen, is ruimte nodig.

Dat, en geld. Structureel geld. Want dit afwijkend onderwijs is duurder dan gemiddeld onderwijs. Dus wij, de eerste lefgozers, de pioniers, wachten nu tot ‘de rest’ inderdaad volgt. Tot de politiek inziet hoe belangrijk dit soort onderwijs is voor deze kinderen die vastlopen in het reguliere onderwijs. Tot de politiek er voor gaat zorgen dat ook de financiering op langere termijn voor dit speciale onderwijs gewaarborgd wordt.
We hebben ons jarenlang door allerlei personen en stromingen in de samenleving, in de politiek, laten wijsmaken dat onze kinderen ‘weer samen naar school’ moeten. Dertig kinderen in een basisschoolklas en allemaal hetzelfde doen. In het voortgezet onderwijs gaan we wel de jeugd groeperen op capaciteiten (VMBO, HAVO, VWO) en interesse (leerwegen en profielen), maar onze kleine kinderen mogen niet doen wat bij hen past! Waarom moeten we in het basisonderwijs doen of iedereen hetzelfde is? Ieder kind gemiddeld?
Nee! Een kreet vanuit mijn hart én mijn hoofd. Het is niet: iedereen hetzelfde. Het is: iedereen verschillend. Het uitgangspunt zou moeten zijn dat ieder kind uniek is. Het uitgangspunt zou moeten zijn dat we in de wereld alle soorten mensen nodig hebben. Het uitgangspunt zou moeten zijn dat we ontdekken welk kind welk talent heeft en dat we dat talent optimaal gaan ontwikkelen. Of het nu voetbaltalent, tekentalent, sociaal talent of cognitief talent is. Of wat dan ook…
Inmiddels zijn we weer een paar jaar verder. Na de herkenning volgde de erkenning. Mijn zoon is inmiddels weer een blij kind. En ook mijn jongere dochter, een heel ander kind dan haar broertje maar eveneens hoogbegaafd, zit inmiddels op haar plek. Het heet dan weliswaar geen ‘Leonardoschool’ meer, maar in de speciale hoogbegaafdenklas voelt ook zij zich thuis. En dankzij alle perikelen, dankzij alle ellende, weet ik voor het eerst in mijn leven wat het is dat ik wil doen, wat het is dat ik móet doen: mee-pionieren. Ik wil onderwijs gaan ontwikkelen voor al die kinderen die net zo zijn als mijn kinderen, net zo als ik.
Alles wat ik ooit heb geleerd en gedaan in mijn leven en hoe ik ben, komt hier samen. Er is nog veel werk te verzetten. Maar pionieren doe ik het liefst, en zeker samen met al die betrokken, hardwerkende en enthousiaste mensen. Grappig. Ik, die altijd een hekel heb gehad aan school, zit er nu met ontzettend veel plezier midden in! Het kan verkeren…



P.s. Voor de niet-bèta’s onder ons: het antwoord was ‘niets’. Tussen die moleculen zit helemaal niets.